| Home | Molenbeekstraat |

Uit Molenbeekstraat: 

Alice

Alice was een van Molly's beste vriendinnen en zat bij haar in de klas.
Ze was een in mijn ogen verpletterende schoonheid met donkere, twinkelende ogen, halflang donkerblond haar en de mooiste benen van de wereld.
Zij had al een paar keer mijn haar geknipt, want dat kon ze goed zei men of misschien wilde iedereen wel door haar geknipt worden, en dan zat ik doodstil op de kruk terwijl zij om me heen liep, zo dichtbij, dat ik haar kon ruiken, kon voelen zelfs, een kledingstuk dat langs mijn gezicht streek, een vleugje buik, borst.
Zij woonde in Amstelveen en pas later, toen ik al studeerde, durfde ik enige toenadering te zoeken. Of misschien, waarschijnlijk, was zij het die mij opbelde en vroeg of ik meeging naar een feestje.
'Ja graag.' Ongeloof, een hart dat heftig slaat.
Dan haalde ik haar op en reed met haar achter op de brommer van mijn vader die nu van mij was over de Europaboulevard naar de stad, waar het feesten zich immer afspeelde.
Wij dansten. Er was iets droevigs en verdrietigs in haar manier van doen, waar ik nooit de vinger op heb kunnen leggen, al kon ze ook heel uitbundig zijn. Je meent iets te herkennen, waardoor alles heel vertrouwd wordt. Je spreekt geen woord, maar denkt te begrijpen. Zo jong nog en toch zo ernstig. Ze raakt gewoon je hart.
Dan, het is al middernacht geweest, komt hij binnen. Met een paar vrienden, even mannelijk als hij, en ze loopt naar hem toe en valt hem om de hals. Samen verdwijnen ze in een achterkamertje.
Dit is dus haar geliefde, de jongen, de man, met wie ik mij nooit zal kunnen meten, aan wie zij zich zomaar, met al haar kostbare schatten, zal overgeven.
Ik blijf achter, zet mij aan het raam en wacht. De tijd verstrijkt. Buiten zingt een merel.
Als Alice weer terugkomt is het al licht aan het worden. De jongen, de man, gaat weg zonder een woord te zeggen en laat haar achter. Bij mij.
'Zullen we maar gaan?'
'Is Goed.'
Achter op de bromfiets van mijn vader die nu van mij is breng ik haar over de lange Europaboulevard weer naar huis. Zij heeft haar armen om mij heengeslagen en mij zo weer gelukkig gemaakt.
'Gemeen ben ik, hè?' zegt ze.
'Nee hoor.' 

Toen ik niet zo lang geleden hoorde dat Alice ongeneeslijk ziek was heb ik mij tranen met tuiten gehuild. Alsof ik afscheid moest nemen van iets belangrijks in mijzelf, van het meisje dat je hoofd op hol doet slaan, van het kinderlijke verlangen waar je je nog niet voor schaamt. Van het jongenshart dat, hoewel het nog steeds heftig klopt, hier in mijn borst, zich nooit meer, zo leek het mij althans, over zou kunnen geven aan dat ontroerend spel van de ontluikende liefde.

Alice

weet je nog hoe
we dachten dat het was
hoe eenzaam wij ons waanden
weet je nog hoe
groen het gras
waarop de dauw lag als tranen 

weet je nog hoe
we dansten in de nacht
op plaatsen die niet meer bestaan
weet je nog hoe
snel en niet verwacht
het uur van de morgen kon slaan

ai ai Alice we hebben gedanst
het hart heeft wild geslagen
ai ai Alice we hebben gedanst
buiten zal het dagen 

weet je nog hoe
we hebben gestaan
niet meer dan elkaar vastgehouden
maar een jongenshart kan
niet wilder slaan
zo heb ik van jou gehouden 

ai ai Alice we hebben gedanst
elkaar door de nacht gedragen
ai ai Alice we hebben gedanst
buiten zal het dagen

jong is de dag
en groen is gras
onder mijne voeten
waarop de dauw
als tranen lag
ik zal jou missen moeten

ai ai Alice we hebben gedanst
het hart heeft wild geslagen
ai ai Alice we hebben gedanst

buiten zal het dagen  

Neerkant, 2005 - 2006


Publicatie uit het boek Molenbeekstraat van Ernst Jansz, dat 27 september 2006 is verschenen bij Uitgeverij In de Knipscheer.
De liedtekst van Alice is afkomstig van de CD Molenbeekstraat.