|

|
Zo kwam in 1851 de voormalige Delftse onderwijzer Pieter Jansz
namens de vier jaar eerder opgerichte ‘Doopsgezinde Vereeniging
ter Bevordering der Evangelieverbreiding in de Nederlandsche
Overzeesche Bezittingen’ op Java aan. Hij zette zich met hart en
ziel in voor het zendingswerk, bouwde er een eigen kerkje van
bamboe, werkte er aan een Javaans-Nederlands woordenboek en aan
de eerste Javaanse vertaling van de bijbel, maar kwam door zijn
rechtvaardigheidsgevoel en zijn koppig karakter in aanvaring
met het plaatselijke gezag. Vooral trok hij zich het lot aan van
de Indo's (halfbloeden). Dat zij leefden in bittere armoede,
terechtkwamen in criminaliteit of prostitutie (veel Indische
meisjes waren ‘bijzit’ van Europeanen, Arabieren en Chinezen) en
leden onder minachting en spot. Daartoe richtte hij in de stad
Semarang een krant op, die met politieke artikelen en
inzamelingen dit lot trachtte te veranderen. Van deze Pieter
Jansz, mijn betovergrootvader, erfde ik ongetwijfeld mijn
voorliefde voor taal en een hopeloze drang om de wereld te
verbeteren.
|