| De Overkant hier loop ik door dit mooie land de maan schijnt in het water met eigen ogen, roodomrand, hij ging op weg naar het verre land de maan schijnt in het water nu loop ik door dit mooie land |
![]() |
| Toen ik in 1984 voor het eerst een reis maakte naar Indonesië, het geboorteland
van mijn vader, hoopte ik er het paradijs te vinden. In dat opzicht echter was de reis ontnuchterend. Ten eerste was er de onverdraaglijke hitte. Ten tweede was ik bang om, zo niet bestolen, dan toch afgezet te worden en bovendien bleek men van privacy, iets waar ik juist na mijn Doe Maar avontuur behoefte aan had, nog nooit gehoord te hebben. Voortdurend achtervolgd door hordes roepende kruiers, kooplieden en kinderen, trokken mijn vriendin en ik door Java. In Jakarta schreef ik: De Jalan Cikini is lang, heet en stoffig. Verkeer raast langs. Het zweet loopt in straaltjes langs mijn voorhoofd. Niks geen paradijs. Toch was het daar, in de straat waar hij opgroeide, dat ik voor het eerst weer een glimp opving van mijn vader, die al twintig jaar dood was en ik was, opnieuw, geschokt. Ik schreef: Hoe is het mogelijk, pappa, dat je hier gelopen hebt, hier langs de Cikinilaan, arm in arm met Titi en dat je toen alleen, helemaal alleen, naar Holland bent gegaan, terwijl je daar niemand kende. En je liet Titi achter, want eens zou je terugkomen. Maar ze stierf. Van verdriet, zei de familie. En nu loop ik hier met mijn Anna en er is niemand die ik ken. Ik kom als een vreemde in een vreemd land, vijftig jaar nadat jij het verliet. Ik loop als een vreemde door een vreemde straat, waar jij, jarenlang, elke dag je bruine voeten in het stof gedrukt hebt. Ik heb een lied geschreven. Het gaat over de reis naar de overkant. En wat wij achterlaten op de oever. |