| Tessa Tessa kamu peluk aku Tessa in jouw armen/ zijn de golven even stil/ |
In 1980 maakte ik een reis naar India. In Goa, de voormalige Portugese kolonie en indertijd pelgrimsoord van verloren westerlingen, kreeg ik, gezeten achterop een motorfiets, een ongeluk. Aan mijn linkerzijde vrijwel geheel ontveld ben ik 3 weken lang, bewegingloos liggend in een hutje van 2 bij 2, verzorgd door een arme familie die een taal sprak die ik niet verstond. De zoon liep 40 kilometer om voor mij een speciaal medicijn te halen: een stukje hout dat hij aan mijn enkel bond. Zijn oude moeder smeerde mij 2 x per dag van top tot teen in met kokosolie. Soms werd zij afgelost door haar oudste dochter, als zij haar kleine zoontje, dat vaak huilde 's nachts en dat zij gewoonlijk op haar heup droeg, elders had kunnen onderbrengen. Ik heb later begrepen dat zij verliefd was op mij. Ergens in een waas herinner ik mij nog een vrouw, een zweedse, die zo nu en dan naast mij kwam liggen op mijn ziekbed en zachtjes met mij de liefde bedreef. Deze twee vrouwen, de zuster, de geliefde, heb ik verenigd in één personage: Tessa. Ik heb haar verlaten, bij wie ik dacht te sterven, moeizaam lopend, maar vrijwel genezen, mij afvragend waarom ik het geluk dat onverwacht op mijn pad was gekomen weer de rug toekeerde. Het thema dat later zou terugkeren in 'Telkens weer'. Het originele dagboek dat ik bij heb gehouden van die reis naar Goa, was de basis van de novelle 'Gideons Droom', waarin de tekst van Tessa voor het eerst gepubliceerd is. |