batiklinks.jpg (9996 bytes)
batiklinks.jpg (9996 bytes)
batiklinks.jpg (9996 bytes)

Fragment De Overkant

'Kijk pappa, een nest!' Ik was achtergebleven op de helling van het duin.
    Mijn vader draaide zich om en liet zijn kijker zakken. Zijn silhouet tekende zich af tegen de lichtblauwe meilucht.
    'O ja? Laat eens kijken?'
    'Hier!'
    Hij kwam naar me toe, bukte en glimlachte.
    'Je trapte erin hè?'
    'Ja,' zei hij.
    We wisten allebei dat het niet waar was. Hoe kunstig ik de grassprietjes ook in elkaar had gedraaid, het leek helemaal niet op een wulpennest en nog minder op dat van een graspieper, maar ik vond het fijn om hem te zien lachen.
    We hadden de reis naar Texel samen op zijn nieuwe Simplex-bromfiets gemaakt. Er had een westerstorm gestaan en het eitje had ons er niet doorheen kunnen trekken, zodat hij mee had moeten fietsen, kreunend, ik achterop, biddend dat we het zouden halen, dat hij het zou halen. Soms hadden we tientallen kilometers moeten lopen. Dan had ik omhoogkijkend, zijn gezicht gezien, zijn verwrongen mond, zijn angstige ogen.
    In de luwte van de Hondsbossche Zeewering was het beter gegaan, was de zon zelfs doorgebroken, had ik de gele boterbloemen in de berm zien staan: 'God dank u wel, dank u wel dat ie niet meer hoeft te fietsen.'
    Midden op het Marsdiep was er een vrachtwagen van de stampende veerboot geslagen, dwars door de railing heen. Iedereen had naar buiten gekeken en de mannen hadden gespeculeerd over de lading en de verzekering. Mijn vader had zelfs even met enkelen van hen staan praten.
    Op Texel, onderweg naar De Koog, gebeurde er nog iets vreemds. Een vrouw stond midden op de weg en stak haar hand op. Mijn vader stopte.
    'Waar kom je vandaan?' vroeg ze onderzoekend.
    'Amsterdam' zei mijn vader. Ze had bleek, piekerig peenhaar.
    'Waar naar toe?' Ze keek steels naar mij. Toen haalde ze van onder haar jas een mes te voorschijn.
    'Ik snij tegen de zon in,' zei ze. 'Kijk maar, tegen de zon in.'
    Even verderop vroeg mijn vader: 'Was je bang?'
    Ik had mijn hoofd tegen zijn rug gelegd, die zo breed was in zijn beige winterjas. 'Nee hoor.'
    'Ik stond klaar om het mes uit haar handen te trappen,' verklaarde hij. 'Maar ze bedoelde niks kwaads. Zielig, zo'n vrouw.'
    'Ja,' zei ik.
    We sloegen de tent op in een duinpan van het reusachtige, verlaten kampeerterrein bij De Koog. Toen ik tegen een bosje duindoorn stond te piesen, scheen de zon warm op mijn gezicht. We hadden het gehaald en de wulpen jodelden in de lucht. Ik rende terug naar de tent.
    'Hoeoi!' riep ik.
    Er kwam geen antwoord.
    'Pappa?'
    Ik keek in de tent. Mijn vader was verdwenen. Ik rende de duinen op, links rechts, in een blinde paniek.
    'Pappa! Pappa!'
    Alles lag verlaten in de plotselinge stilte na mijn geschreeuw. Ik ging terug naar de tent, liet mij vallen, begroef snikkend mijn hoofd in de slaapzak, sloeg met mijn vuisten op de grond. Nee!! Nee!! Nee!!
    Hij kwam binnen en nam me in zijn armen. 'Jochie, wat is er?'
    'Je was weg!'
    'Ik was even naar de kampbeheerder om ons in te schrijven.'
    'Ik dacht dat je weg was!'
    'Jochie toch, Jochie toch.' En: 'Stil maar, ik laat je nooit meer alleen.'

's Ochtends om half negen hadden we een afspraak met de beheerder van het vogelreservaat en we hadden ons verslapen. Geen tijd om te ontbijten, snel naar de bromfiets, een paar kilometer verderop, aan de weg. Ik struikelde achter mijn vader aan. Zijn gezicht was verwrongen. Zijn mond een verbeten streep. 'We halen het nooit! We halen het nooit!'
    Ik hielp hem de brommer aanduwen en sprong achterop. Hij bleef meetrappen.
    Na een paar meter stopte hij plotseling. 'Stap maar af,' zei hij. Naast de bromfiets ging hij in het gras zitten, zijn hoofd in zijn handen.
    Zo had hij ook gezeten, die keer, toen ik hem had zien huilen. 'Ik ben een mislukkeling,' had hij gezegd. 'Ik ben niets waard. Helemaal niets.'
    Ik raakte zijn schouder aan. 'Pappa?'
    'Nou is het verloren. Nou ben ik ook nog de lidmaatschapskaart vergeten. In de tent.'
    Ik sprong op: 'Maar ik zal hem wel halen!' En weg was ik. Over het prikkeldraad, over de duinen, door de duindoorn en de helm rende ik, op de maat van mijn ademhaling, op de maat van: we moeten het halen, we moeten het halen.
    Ik ben niet één keer gestopt. Zelfs het openritsen van de tent ging in hetzelfde tempo, de greep in de fietstas, de weg terug naar de plek waar mijn vader in de berm zat.
    'Dat heb je snel gedaan,' zei hij.
    Hij was opvallend rustig, fietste zelfs niet meer mee.
    De beheerder stond op ons te wachten. Mijn vader gaf hem de kaart.
    'Ach, dat is niet nodig,' zei de man. 'Kom maar mee. Een mooie kijker heeft u daar!'
    Mijn vader glunderde.
    Ik liep achter de twee mannen aan. De zon scheen, het was een prachtige dag.  
blz. 242 t/m 245, tweede druk

© Ernst Jansz
De eerste druk van De Overkant verscheen in oktober 1985 bij Uitgeverij In de Knipscheer. De tweede, verbeterde druk in april 1986.
In maart  2000 is De Overkant herdrukt in de Reprise literair reeks van Uitgeverij In de Knipscheer.

[Home]   [Boeken]

batikrechts.jpg (10255 bytes)
batikrechts.jpg (10255 bytes)
batikrechts.jpg (10255 bytes)