I
n de noorderlijke heuvels, ten zuiden van de grote rivieren, leefde eens op een kasteel een prins. Zijn naam was Kewit. Hoewel zijn vader een groot krijgsman was, vertoefde Kewit het liefst tussen de bloemen, waar hij gedichten declameerde voor de vogels en de koeien. En zo prachtig waren zijn woorden en zo zoet was zijn stem, dat hij de aandacht trok van Maris, dochter van de godin Freya.
Zij daalde af naar de aarde in de gestalte van een waternimf om er te luisteren naar de stem van Kewit. En zo gebeurde het dat zij van hem ging houden. Het was in de nadagen van het rijk van de grote goden van het noorden. Tussen de heuvels verrezen de eerste fabrieken en vreemde machines en de goden trokken zich langzaam terug naar hun burchten in het hoge noorden. Ook Freya en haar gevolg maakten zich klaar voor het grote vertrek, maar Maris weigerde mee te gaan.
'Mijn dochter', sprak Freya tot haar, 'gij kent het lot van de godin die zich geeft aan een sterveling. Zij verliest haar onsterfelijkheid. En met de tijd zal zij vervagen tot vergetelheid'.

Naar pagina 3