Maris boog het hoofd. 'Ik blijf bij Kewit, moeder', sprak zij. 'Ik heb hem lief'.
'Het zij zo', sprak Freya. 'Nog één ding, dochter, hoedt u voor dwaallichten, zoals ook, helaas, de menselijke liefde er vaak een is, en vrees de trollen meer dan de sterfelijkheid; zij azen op gevallen goden, want het kwaad verlangt naar schoonheid, zoals het vuur reikt naar de zon.
Omring u derhalve met het water, dat zij haten, zolang uw kortstondig leven u lief is.' Daarop kuste zij haar beminde dochter en vertrok met haar gevolg en niemand heeft in die kontreien ooit iets van haar vernomen.
Maris bleef achter en daalde voor de laatste keer af om bij Kewit haar brandende liefde te blussen. Binnen de slotgracht was zij veilig voor de trollen, maar toen Kewit's vader in een onbelangrijke twist zijn kasteel verloor en de gracht werd gedempt, waren zijn gedwongen te vluchten.
Zo trokken Maris en Kewit naar het zuiden want zij hadden gehoord dat daar nog uitgestrekte moerassen lagen aan de rand van de oude wereld. En na lange omzwervingen stonden zij aan de oever van een kanaal en vonden er een onderkomen op de Scherliet bij Donkerveld. Maar 's nachts hoorde Maris het gesnuif van de trollen die snuffelden aan haar spoor, als het kwaad dat verlangt naar schoonheid.
En Maris riep: 'O moeder, help mij, want ik zal worden verslonden eer mijn eerste lente is verstreken!' En Freya hoorde haar en zond nog één maal haar verwant Tyr, oorlogsgod, naar de zuidelijke landen.

naar pagina 4