
|
[Home]
[Boeken]
Het tempo dulu van Ernst Jansz

Tandjong Priok, 1933 (familiearchief
Ernst Jansz)
‘Rudi’s vertrek’, staat er bij de foto.
Rudi Jansz is achttien jaar, opgegroeid in Batavia, en met zijn eindexamen
HBS op zak op weg naar Nederland om daar te gaan studeren en mijn vader te
worden.
Hij is nooit meer teruggekeerd. Den Haag, Parijs, Amsterdam, vrouwen, de
liefde. Dan de oorlog, het verzet, verraad, zijn arrestatie, het
concentratiekamp.
Daarna: de bevrijding, feesten, kinderen. Mijn zus en ik. Kamperen op
Texel, fietsen, ijsjes eten. En later, natuurlijk, zijn ziekte, zijn dood.
Maar dat zie je op de foto allemaal niet. Je ziet wat hij achterliet op de
kade van Tandjong Priok. Ik heb met een vergrootglas gekeken en mijn opa
herkend en mijn oom Bob, het kleine jongetje met het matrozenpakje, mijn
drie Indische tantes, Tonie, Els en Zus, hele jongen dametjes nog. Zij
allen zullen hem later volgen, naar het verre land. Maar niet dat ene
figuurtje in het midden van de foto, het jonge meisje in de witte jurk.
Het lijkt of ze zwaait.
Ik herken haar van een andere foto, waarbij ‘Hoe vindt u ons?’ staat
en waarop ze, in dezelfde witte jurk, de hand vasthoudt van mijn vader,
die achter haar staat. Ze kijkt in de camera, stralend, zoals ze naar
elkaar gekeken zouden hebben.
Niet lang na zijn vertrek is ze ziek geworden en gestorven. Van verdriet,
werd er gezegd.
Op de foto staat ze nog te zwaaien. Want de reis begint. Zoals elke reis
begint. De boot die vertrekt. En langzaam wegvaart van ons huis. Onze
jeugd. Van wat wij ooit geweest zijn.
en de onschuld laten wij, alleen,
een klein figuur in wit,
daar aan de oever staan
© Ernst Jansz
Gepubliceerd in Vertrouwd en Vreemd, Redactie Esther Captain e.a.
Uitgeverij Verloren Hilversum, 2000
|

 |