verschenen op
  
De overkant 1999/2009
muziek J.Hendriks E.Jansz

Isis

Waar ben je geweest, mijn jongen
wat heb je gezien, mijn kind
les je dorst en stil je honger
want daarbuiten huilt de wind
ben je eindelijk teruggekomen
op dit allerlaatste uur
zonder koffer, zonder dromen
warm je handen aan het vuur

kom en laat je hoofd maar rusten
laat het rusten op mijn schoot
laat mij nu jouw lokken kussen
buiten kleurt de avond rood

toen je wegging deze morgen
heb ik jou zo ook gekust
het ga je goed mijn lieve jongen
ga gezegend en gerust

en je mooiste jongensdromen
nam je in je koffer mee
langs het pad onder de bomen
in de richting van de zee

en je ging met groot verlangen
de branding tegemoet
waar de vrijheid ligt gevangen
in het ritme van eb en vloed

maar wie er niet kan drijven
zal zinken als een steen
om als een steen te blijven
waar hij in de zee verdween

zo hebben wij gevochten
tot wanhoop en verdriet
nooit gevonden wat wij zochten
want zo is het leven niet

onze dromen zijn verloren
zij waaien met de wind
maar rijker dan tevoren
zijn wij, mijn lief, mijn kind

kom en laat je hoofd maar rusten
laat het rusten op mijn schoot
laat mij nu jouw lokken kussen
buiten kleurt de avond rood

Hier is het einde van de reis: de terugkeer naar de moederschoot, althans, zo lijkt het mij nu. Ik heb een lied willen schrijven voor mijn overleden vader. Ik wilde hem, als de moederfiguur die ik eens voor hem geweest ben, in de armen sluiten aan het einde van de reis die zijn leven was. Het leek mij een mooi en troostend beeld. Pas na het schrijven van ‘Molenbeekstraat’, heb ik ontdekt, dat ikzelf het ventje ben, dat met een koffer vol jongensdromen van huis gaat en na een leven van omzwervingen terugkeert in de armen van zijn moeder, ook al is zij inmiddels al overleden. Sommige dingen worden pas na jaren duidelijk.

Jan Hendriks componeerde het prachtige instrumentale intermezzo, waarmee het lied ook eindigt. De tweede stem wordt gezongen door Jaloe Maat, de moeder van mijn eigen kinderen.