Met de klanken van heimwee

lezing Verleden land
op 3 september 2009
in het Verzetsmuseum
te Gouda

 

 

 

 

Verleden land

Vlak voordat Frederic Chopin op twintigjarige leeftijd zijn vaderland Polen verliet in november 1830, schreef hij aan zijn vriend Titus:
Ik denk dat ik mijn huis zal verlaten om er nooit terug te keren; ik geloof dat ik wegga om te sterven; en wat moet het treurig zijn om ergens anders te sterven dan waar men altijd heeft geleefd.
Nog geen maand later breekt in Polen de novemberopstand uit. In september 1831 trekt het Russische leger, niet voor de eerste en niet voor de laatste keer, Polen binnen en slaat de opstand bloedig neer. Chopin zal nooit meer naar zijn bezette vaderland terugkeren.

Zijn composities zijn echo’s van het Polen zoals hij het gekend had, van de dansen aan het hof en in de dorpen, van de liedjes van het veld. Zij dragen Poolse namen: Polonaise, Mazurka, Kujawiak en Krakowiak. Zij zouden worden gespeeld waar maar een vleugel of een piano stond.

Op achttienjarige leeftijd vertrekt mijn vader vanuit zijn geboorteland Indië naar Nederland om er te gaan studeren. Zeven jaar later besluit hij terug te keren met de vrouw die mijn moeder zou worden. Het geld voor de overtocht is overgemaakt. Op 8 april 1940 krijgt hij bericht dat hij direct na aankomst in Indië bij het Centraal kantoor voor de Statistiek te Batavia aan de slag kan.
Niets lijkt een vertrek naar Indië nog in de weg te staan.
Maar het lot beslist anders. Diezelfde week worden alle verloven ingetrokken. De Duitsers trekken ons land binnen. Hun laarzen stampen door de straten. Langzaam maar zeker worden de wreedheden van de bezetter duidelijk aan wie zijn oren en ogen open houdt. Mijn ouders gaan in het verzet, tezamen met veel Indische en Indonesische vrienden. Mijn vader heeft samen met zijn beste vriend de leiding over een verzetsgroep die in Amsterdam, Utrecht en Den Haag werkt. Hij wordt gepakt als hij een andere illegale groep wil waarschuwen voor verraad. In de dodencel van de gevangenis aan de Weteringschans in Amsterdam schrijft hij: “Ik heb den goeden strijd gestreden, ik heb den loop geëindigd, ik heb geloof behouden”.
Uiteindelijk komt hij terecht in het Concentratiekamp Amersfoort.
Mijn moeder wordt na een overval op een contributiekantoor in Den Haag gegrepen en opgesloten in de gevangenis in Scheveningen, het Oranjehotel,
Beiden zouden de oorlog overleven maar mijn vader zou zijn geliefde Indië nooit meer terugzien.
Het kampsyndroom zou zich met de jaren steeds duidelijker manifesteren. Er is een dag gekomen dat hij, op zijn werk, naar de WC ging en niet meer terug durfde door de glazen deur. Toen is hij thuis gebleven. Achter de kast gaan zitten. Wilde geen mensen meer zien. Dacht dat ze hem kwamen halen.
Mijn moeder heeft hem verzorgd, in haar armen genomen, gewiegd als een klein kind.
Dan heeft ze Nina bobo voor hem gezongen en is met hem naar de psychiater gegaan. Buiten liep hij langs de muren. De muur aan de ene kant en mama aan de andere. Concentratiekampsyndroom zei de psychiater en gaf hem pilletjes tegen de depressies.
Ik troostte hem door voor hem piano te spelen. Ik was twaalf toen ik van mijn zakgeld alle pianoboeken van Chopin kocht. Ik studeerde mij suf en hij luisterde. Met gesloten ogen. Naar die klanken van weemoed, van heimwee, dat verlangen naar het verloren land, naar dat wat ooit was.
Het mooie van muziek is dat de pijn die er in verborgen ligt een troost kan zijn voor allen die die pijn herkennen. Met of zonder woorden.
In de tachtiger jaren van de twintigste eeuw overspoelt vanuit het kleine eiland Jamaica een onstuitbare golf de wereld: de reggae.
Jamaica, bewoond door nazaten van de slaven die vanuit Afrika in de suikerrietplantages te werk werden gesteld en in 1690 massaal in opstand kwamen, ontsnapten en de heuvels introkken, kreeg uiteindelijk in 1739 zelfbestuur. De reggae bezingt hun geschiedenis, die van de slavernij, honderden jaren van onderdrukking en pijn en het verlangen naar het verloren moederland, Afrika.

By the rivers of Babylon where we sat down
And where we wept as we remembered Zion.
Oh the wicked carried us away in captivity
Required from us a song
How can we sing King Alfa’s song in a strange land?

Hoe zal ik sterven in een vreemd land?
Hoe kan ik mijn lied zingen in een vreemd land?
Dat laatste blijkt heel goed mogelijk. In den vreemde worden heel wat oude liederen bewaard en gekoesterd. In een tijd dat vluchtelingen in ontelbare rijen over de wereld trekken, verdreven van hun geboortegrond, beroofd van huis en have, zijn verhalen, liedjes en recepten vaak het enige dat men mee kan nemen naar een nieuw tehuis. Het behoud van de eigen cultuur zal daar een zoete troost zijn voor de pijn van het verlies van het moederland. Het geeft de kracht om te overleven en de moed om zich aan te passen.
Zo ook hebben de Indische Nederlanders, na de tweede wereldoorlog wreed en massaal van hun geboortegrond verdreven, hun eigen muziek- en eetcultuur gekoesterd. Aanvankelijk op kleine kamertjes, in kleine kring. Op butagasstelletjes werden geen aardappels gekookt, maar rijstmaaltijden. Bij de bedjes van de kinderen klonk geen Slaap kindje slaap, maar Nina Bobo. Generaties lang. Na enige tijd werd de Indische cultuur ook in groter verband gevierd. De Pasar Malam is inmiddels uitgegroeid tot een zelfs door niet Indische mensen erkend cultureel evenement waar men kan genieten van Indische muziek en de lekkerste hapjes.
Die Indische muziek, de krontjong, is zelfs jarenlang populairder geweest in Nederland dan in het inmiddels onafhankelijke Indonesië. Men kent daar een iets aangepaste vorm, de keronceng, maar de traditionele hybride met ukeleles, de Portugese gitaar, de viool, de geplukte cello, af en toe aangevuld met de Hawaïaanse lapsteelgitaar wordt op die manier nog steeds vrijwel alleen in Nederland gespeeld Curieus is daarbij, dat de krontjong in vroeger tijden in Indië werd beschouwd als muziek van het lagere volk. Men zegt dat zij is ontstaan in een buitenwijk, ongeveer 12 km ten noordoosten van Batavia, ooit in 1661 als een stuk land door het VOC ter beschikking gesteld aan een groep vrijgelaten slaven die zich tot het Calvinisme hadden bekeerd. De naam van de nederzetting was ‘Tugu’ (grenspaal). Daar ontwikkelde zich een Portugees-Indische cultuur, met een eigen taal en muziek, muziek van, alweer, voormalige slaven.
In het oude Nederlands-Indië, in de kringen van veel Indo’s, zij die zich Nederlander noemden en zich tot de betere klasse rekenden, was deze krontjong muziek niet erg geliefd. Men luisterde er liever naar Europese klassieke muziek, opera, Frederic Chopin.|
Eenmaal in ballingschap in Holland echter ging men de krontjong beschouwen als de muziek van het Indië dat men gekend had, het was een dankbare uitingsvorm voor de heimwee naar het geliefde Verloren Land. En zo werd zij gekoesterd en in haar pure vorm bewaard tot op de dag van vandaag. En met de muziek en het eten werd ook de heimwee, als een steeds onbestemder verlangen, van generatie op generatie doorgegeven.
Ik zelf heb mijn eigen verlangen in de krontjong herkend, zoals ik die ook in Chopin en in de Reggae herkende. Het zijn verwante klanken van weemoed en ik heb ze in al die jaren in mijn eigen muziek verweven.
Ik wil nu een liedje zingen dat gebaseerd is op een oud krontjong liedje, dat ik van mijn ouders leerde, Terang Bulan. De tekst gaat ongeveer zo:
de maan schijnt in de rivier/de krokodil ligt doodstil/vertrouw een man niet op zijn woord.
Ik schreef het lied, dat ik De Overkant noemde, in Indonesië, lopend door de straten van mijn vaders jeugd. Daar zag ik hem voor me, hand in hand met Titi, zijn eerste vriendinnetje, een verlegen Indisch meisje. Hij liet haar achter toen hij, met zijn eindexamen op zak wegvoer naar het verre Nederland.

De Overkant

hier loop ik door dit mooie land
mijn schoenen in het stof
waar eens mijn vader liep
zo neemt hij mij weer bij de hand
langs bloemen in een hof
waar ooit een meisje riep:
‘o zoetelief, waar ga je heen’
langs velden groen gewas
omlaag naar de rivier
springen wij van steen tot steen
en als ik ooit onschuldig was
dan was ik het nu, hier

de maan schijnt in het water
krokodil ligt stil
vertrouw hem niet
als je over wil

met eigen ogen, roodomrand
zie ik hier het kind
dat eens mijn vader was
de vreemdeling en bloedverwant
die ik tenslotte vind
over de waterplas
hij drukte in dit vreemde land
zijn voeten in het stof
toen al op weg naar mij
en zo, voorgoed zijn hart verpand
aan bloemen in een hof
ging hij ze toch voorbij

hij ging op weg naar het verre land
zij zwaaide hem vaarwel
maar omzien deed hij niet
veroordeeld tot de overkant
zij had een zwak gestel
en kwijnde van verdriet
en in den vreemde woedde brand
hij stond er middenin
en werd een oorlogsheld
maar minachting en misverstand
hebben hem, nadien
tenslotte ook geveld 

de maan schijnt in het water
krokodil ligt stil
vertrouw hem niet
als je over wil 

nu loop ik door dit mooie land
mijn schoenen in het stof
waar eens mijn vader liep
zo neemt hij mij weer bij de hand
langs bloemen in een hof
waar ooit een meisje riep:
‘o zoetelief, waar ga je heen’
dit dierbaarste bezit
hier onder zon en maan,
de onschuld laten wij, alleen,
een klein figuur in wit
daar aan de oever staan

de maan schijnt in het water
krokodil ligt stil
vertrouw hem niet
als je over wil 

De verloren onschuld. Achtergelaten aan de oever. Zo staat zij daar op de foto. Titi. Op de kade. In een witte jurk. Het lijkt of ze zwaait. Niet lang na zijn vertrek werd ze ziek en stierf. Van verdriet, werd er gefluisterd.
Als jongetje werd ik verliefd op haar foto die bij ons op de schoorsteenmantel stond.

Bij mijn grootouders hoorde ik voor het eerst de muziek van Frederic Chopin. Zij draaiden, in hun huisje daar in Loosdrecht, EP’ tjes met Mazurka’s en Walsen. Zij maakten een verpletterende indruk op mij.
Zo goed als elk weekend fietsten wij van Amsterdam naar NieuwLoosdrecht. Dat was een hele tocht voor ons kinderen. Maar eenmaal aangekomen in de Lijsterbeslaan wachtte ons een warm onthaal. Ik herinner me de heerlijke rijstmaaltijden en de Kue Mangkok. Zo stelde ik mij als kind het oude Indië ook voor: klanken van Chopin in de serre, de geur van rijst en Kue Mangkok.

Omdat een herdruk van mijn in 1985 verschenen boek De Overkant op stapel staat, heb ik het boek, na al die tijd, weer opnieuw gelezen. Het is vreemd hoe na zo veel jaar het licht zo anders door de woorden heen kan schijnen.
In het eerste deel, een briefwisseling van de familie in Indië met hun in Nederland studerende zoon, mijn vader dus, lees ik in een brief van 9 juni 1936, geschreven door mijn tante Zus, toen een puber van 14 jaar:

Wij hebben op school al 2 excursies gemaakt. Een naar de mangrove bossen dicht bij Tandjong Priok en een naar Tjibedas bij Soekaboemi. Allebei voor plantkunde. Het was zo leuk, weet je, en wij aten daar nasi-goreng, want wij waren daar van ’s ochtends 6 tot ’s avonds 9 uur. Tjibedas is heel mooi, weet je! De laatste dag hebben wij sportfeesten in ‘Polonia’ gehouden. Dat is een dansplaats, badplaats, wandelplaats, eetplaats enz. Al de vrijende paartjes gaan er ’s avonds heen. Er zijn allemaal prieeltjes voor 2 personen en een grote, grote tuin met banken en een groot veld voor allerlei spelen. De dansvloer is altijd vol. 

Ik had er zo gemakkelijk over heen gelezen. Een onopvallend zinnetje: en wij aten daar nasi-goreng.
Pas als ik op bladzijde 31 de brief van mijn oma lees aan haar zoon (zij schrijft over zichzelf als Moes, in de derde persoon enkelvoud), begin ik het te begrijpen.

Mijn lief Rudeke!

Vandaag zal Moes geen aardappels koken en dat uurtje doorbrengen met gezellig aan je te schrijven, hè Rudi! In de eerste plaats hartelijk dank voor je lieve gelukwensen met Moesjes verjaardag. De brief kwam net de 16e aan, dus een echte verrassing voor Moes.

Ik las het opnieuw. Vandaag geen aardappels koken.
Het begon tot me door te dringen dat mijn Indische opa en oma, die in Loosdrecht elke dag zo heerlijk rijst en bami kookten, in Indië aardappels aten. Aardappels. Het eten van de Hollander. En zeer waarschijnlijk waren zij niet de enigen.
Het was toch wel een beetje een schok voor mij. Opa en oma die in Indië aardappels aten. Kennelijk maakt men zich in den vreemde, net als bij de krontjong muziek, verschillende aspecten van de identiteit van het verloren moederland eigen, ook als die in het verleden niet tot de eigen identiteit behoorden. Zo koestert en bewaart men de cultuur van het verleden land het liefst in zijn puurste vorm.
Zo gaat dat dus. Ik vind het eigenlijk wel prima. Ik ben dol op Indisch eten en krontjong muziek heeft mij de identiteit gegeven waar ik in dit land, arm aan muzikale tradities, zo’n behoefte aan had.
Ook mijn moeder is inmiddels overleden. De laatste jaren van haar leven bracht ze door in een verzorgingshuis in Weesp. Ver weg van alle mensen die ze ooit gekend had. Aanvankelijk nog een redelijk vitale, zij het demente dame, zakte ze in dat tehuis langzaam weg in apathie.
Ik kwam er niet graag, zal ik eerlijk zeggen. De sfeer kneep me mijn keel dicht. Dan nam ik mijn gitaar mee. Zodra ik begon te spelen begon ze te zingen. Liedjes van vroeger. Krontjong liedjes.
Na een van mijn laatste bezoeken aan haar schreef ik een lied. Het heet de Ballade van Nina Bobo. Het is het verhaal van een liedje. Ooit meegenomen uit een ver warm land, reisde het de halve aarde over, duizend mijlen over zee. Niemand weet wat de tekst van het liedje precies betekent. Het is geschreven in en mengelmoes van Maleis, Portugees en Chinees. Geschreven door voorouders, zelf ook ver weg van hun land van herkomst.
Oma, half Chinees, zong het voor haar kinderen. Papa zong het voor mama toen hij haar voor het eerst in zijn armen hield. Mama zong het voor mij als baby’tje. En ik zing het voor mijn kinderen.

De Ballade van Nina Bobo

zo volgde ik mijn vaders spoor
van Indië naar hier
waar hij voorgoed zijn hart verloor
in tijden van plezier
zij viel ook voor zijn schoon tenue
zijn glimlach en zijn charme
mag ik deze dans van u?
zij zweefde in zijn armen

wat ben je mooi, heeft hij gezegd
wat heb je mooie handen
zij zweeg en hield haar schouders recht
maar voelde tranen branden
zij dacht mijn zinnen liegen niet
miste haar trein en zo
zong hij haar daar een wiegenlied
van Nina Bobo  

noni noni manis
o nina bobo 

zij trouwden en de oorlog kwam
met onderdrukking en geweld
en wie de vrijheid ernstig nam
werd ongewild een held
zij is zijn gangen nagegaan
tot aan kamp Amersfoort
zij heeft er aan de poort gestaan
van haar geliefde niets gehoord 

geen brief geen naam geen doodsbericht
terwijl zijn geur vervaagt
in het bed waar zij te wachten ligt
en om een wonder vraagt
tot op een dag men horen kon:
hij leeft hij komt eraan
zij beefde in de avondzon
en liet haar tranen gaan

noni noni manis
o nina bobo

niet lang daarna als een gedicht
schreef hij in letters schoon:
zag hier vandaag het levenslicht
mijn trots mijn troost mijn zoon
zo hoopvol nog de morgenstond
het was bij de kinderwagen
dat zij het verlangen niet weerstond
naar aandacht en behagen

en wat de vijand niet vermocht
dat deed de liefde wel
waar ik bij jou de hemel zocht
vond ik, mijn lief, de hel
zo kwijnde hij dan van verdriet
zij riep: vergeef mij oh
en zong, hem wiegend, daar het lied
van Nina Bobo  

in smet’loos wit stierf hij tot slot
ver in de lage landen
en zo nam hij zijn eigen lot
weer uit haar mooie handen
zijn geur zijn naam zelfs zijn gezicht
zijn met de tijd vervaagd
in het bed waar zij te wachten ligt
en om geen gunst meer vraagt

hier eindigt dan mijn vaders spoor
een oude vrouw het meisje
aan wie hij eens zijn hart verloor
zing ik een Indisch wijsje
zo zong zij ooit voor mij als kind
daar bij de kinderwagen
wie in het leven vrede vindt
hoeft verder niets te vragen 

noni noni manis
o nina bobo

Tot slot wil ik, dames en heren, u nog één lied zingen. Want ik weet het, mijn lezing was te kort. Laat mij dan, hier in het verzetsmuseum in Gouda, dit lied zingen in de hoop dat ons land, dit huis van ons, altijd en eeuwig een toevluchtsoord mag zijn en blijven voor allen die hun eigen land hebben moeten verlaten.
En dat het hun een troost mag zijn.

Dit Huis

dit huis heeft hier al lang gestaan
aan het einde van de wegen
dit huis heeft hier al lang gestaan
het kende storm en regen
zo heeft het statig trots en groot
steeds weer onderdak geboden
aan vermoeiden op hun tocht
aan wie er maar een toevlucht zocht

een moeder met haar kind
een man met een viool
een student met idealen
een meisje van plezier
een koning zonder troon
een verteller van verhalen 

er staat iemand aan de deur
er staat iemand aan de deur

mijn lief sluit het gordijn
want buiten is het koud
mijn lief sluit het gordijn
en al wat het duister buiten houdt
want ik heb teveel gezien
teveel gezien teveel gehoord
mijn god ik heb er bij gestaan
toen wat ik liefhad werd vermoord 

een moeder met haar kind
een man met een viool
een student met idealen
een meisje van plezier
een koning zonder troon
een verteller van verhalen 

er staat iemand aan de deur
er staat iemand aan de deur 

Ik dank u wel.

Neerkant, augustus 2009